- Een poging de complexe werkelijkheid van management, organisatie en (beroeps)onderwijs te duiden -

HOE?ZO!

25 mei 2012

Onderwijs aan de ketting ?!


In voorgaande afleveringen hebben we, toegespitst op de onderwijssector, een aantal gedachten geuit over  de meest gewenste c.q. meest effectieve besturingsmethode. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen machtsstrategieën en stijlen die meer op inspiratie en vertrouwen zijn gebaseerd. Vervolgens zijn er parallellen getrokken met motivatietheorieën die onderscheid maken tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie. Ik heb er geen geheim gemaakt een voorkeur te hebben voor management- of bestuursstijlen die vooral leunen op het bevorderen van de intrinsieke motivatie, en dat dan niet als onderdeel van een of andere trucendoos. Meer specifiek is hierbij de zelfdeterminatietheorie (ZDT) van Deci & Ryan vermeld als referentiekader. Het bleek dat deze theorie goed overeenkwam met de eigen ervaringen opgedaan bij projecten op het gebied van organisatie- en cultuurverandering.

De drie basisbehoeften die centraal staan in de ZDT zijn: autonomie, competentie en relationele verbondenheid. Autonomie heeft te maken met zelfbeschikking, je niet gevangen voelen in omstandigheden of structuren die de keuzevrijheid inperken. Competentie betekent in de ZDT dat de omstandigheden of structuren het mogelijk maken dat men zich bekwaam voelt om de gewenste resultaten te kunnen boeken. Relationele verbondenheid verwijst naar het ervaren van warme relaties met anderen en het zich opgenomen voelen in een breder sociaal netwerk. We hebben die behoefte om ergens bij te horen in een eerdere blog benoemd als “clubgevoel” of “clubliefde”.

Een bestuursstijl die in staat is deze drie triggers te beroeren, en die dit niet als een vorm van manipulatie misbruikt, is naar mijn overtuiging het best mogelijke instrument voor het bevorderen van intrinsieke motivatie met het oog op de te bereiken doelen.


Het gaat hier om drie fundamentele psychologische basisbehoeften. Worden deze niet naar behoren vervuld dan raken mensen hun motivatie kwijt of doen ze dingen alleen in het geval ze afgedwongen worden. In een onderwijsomgeving is dat laatste so wie so ongewenst. We hebben eerder gesproken over de student als viervoeter, die we wel naar de bron kunnen brengen maar moeilijk kunnen dwingen om te drinken. Voor individuen geldt ook dat dwang of vormen van manipulatie, zoals prestatiebeloning, alleen maar werken zolang de beloning of strafdreiging actueel is. Er treedt dus geen transfer op van kennis en gedrag. Er wordt met andere woorden weinig of niets geleerd onder een regime dat uitsluitend gebaseerd is op het aanspreken van extrinsieke motivatie. En wat voor lerende individuen geldt is vaak ook toepasbaar voor lerende organisaties. Machtsstrategieën bieden dus beperkte mogelijkheden als het doel is om echte of duurzame verandering te bewerkstelligen. In meer economische termen gevat zou je ook kunnen zeggen dat sturen op basis van “command and control” mogelijk waardevernietiging voorkomt maar dat dit niet snel zal leiden tot waardecreatie.

Sinds enige tijd zien we dat het ministerie van OCW in de richting van de onderwijssector de touwtjes strakker aanhaalt en daarbij vrijwel uitsluitend gebruik maakt van instrumenten in de sfeer  van dwang en drang. Er is blijkbaar afscheid genomen van het poldermodel en ook de ideologie van “Soevereiniteit (= autonomie) in eigen kring” die nog uit de stal van de verzuiling stamt is blijkbaar niet meer in de mode. Zelfregulering door in te spelen op de intrinsieke motivatie van betrokkenen via elementen als tegemoet komen aan de behoefte aan autonomie, het benutten van de eigen competenties en het aanspreken van het “clubgevoel” van de onderwijssector wordt blijkbaar niet als optie gezien.

Recent hebben de bazen van zowel de NVAO als de HBO-raad als vertegenwoordigers van instellingen in het hoger onderwijs  min of meer moord en brand geschreeuwd omdat OCW de vrijheidsgraden van het hoger onderwijs lichtelijk wil inperken. Men schroomde niet om daarbij de academische vrijheid van stal te halen als ware het een bedreigde diersoort.  De belichaming van de overheidsknoet is de Strategische Agenda Hoger Onderwijs (“Kwaliteit in verscheidenheid”). 


De bezwaren van de slachtoffers concentreerden zich op de angst voor het spook van de bureaucratie. Het nieuw geformuleerde overheidsbeleid is overigens een gevolg van de constateringen van de commissie Veerman dat de kwaliteit van het onderwijs achterblijft bij de prestaties van de (internationale) concurrentie. Dat OCW de teugels strakker in handen neemt heeft dus een reden. De onderwijspaarden hebben volgens het ministerie blijkbaar een koetsier nodig om de juiste koers te kunnen vinden en te kunnen vasthouden naar het gewenste doel. Vanuit de ZDT kunnen we begrijpen dat die beperking van de autonomie als vervelend wordt ervaren door betrokkenen die zich gestuurd voelen en liever zelf sturen. De vraag is kan het ook anders ?


De vraag naar de wenselijkheid of de effectiviteit van zelfregulering, in dit geval betreffende de onderwijssector, heeft ook een link met opvattingen over de meest gewenste rol van de overheid. Na de nachtwakersstaat van de 19e eeuw heeft zich, althans in onze omgeving, een voortdurende intensivering van de overheidsbemoeienis voorgedaan op tal van beleidsterreinen. In economische zin heeft dat tot gevolg gehad dat steeds meer van onze collectieve inkomsten werden herverdeeld via de overheid. Daar kregen we de moderne verzorgingsstaat voor terug en de daarbij passende mindset. De meeste slingers gaan echter na enige tijd weer terug richting het midden. Zo kon het gebeuren dat eind vorige eeuw de overheid in toenemende mate weer “op afstand werd gezet”. Termen als privatisering, marktwerking, concurrentie en deregulering waren aan de orde van de dag. Vervolgens kregen we te maken met tal van ontsporingen, rampen en excessen in allerlei sectoren die in de nieuwe verhoudingen nu zelf het beleid konden bepalen. Zelfs de treinen rijden niet meer op tijd en de kans op een letterlijke ontsporing is sinds de treinramp te Harmelen alleen maar toegenomen. Gebrek aan competenties van allerlei aard en onvoldoende moreel besef schijnen hier tot de hoofdoorzaken te behoren.

Als gevolg hiervan is het logisch dat er vanuit de belastingbetaler een roep ontstaat naar meer controle, toezicht en bestraffing van normoverschrijdingen. Nog maar al te vaak wordt diefstal met het eufemisme “onterecht declareren” betiteld en neemt het O.M. geen actie. Diplomafraude is gewoon fraude die maatschappelijk buitengewoon schadelijk is. En als een instelling afspreekt om een bepaald aantal onderwijsuren te produceren dan moet die afspraak worden nagekomen. Als we alle incidenten optellen en we nemen daarin mee dat het controlenet buitengewoon grote mazen vertoont dan is de vraag gerechtvaardigd of hier geen sprake is van het topje van de ijsberg. In een dergelijke situatie valt de vraag vanuit de sector in de richting van de opdrachtgever/financier naar meer vertrouwen en meer vrijheidsgraden vanzelfsprekend niet in vruchtbare aarde. De Pavlov reactie vanuit OCW is dus op zijn minst begrijpelijk maar is het Pavlov-beleid ook rationeel ?


Een stelling die ik graag in een volgende aflevering wil uitwerken is dat een bestuursstijl op basis van vertrouwen, overigens zonder naïviteit, in combinatie met een prestatiegerichte houding, en met aandacht voor mensen en fatsoen, heel goed kan werken. De beperkende voorwaarde is dat dit slechts opgaat zolang er sprake is van een schaalgrootte die te karakteriseren is als “de menselijke maat”. Ik zal die menselijke maat ook verduidelijken en operationaliseren in een meetbare grootheid. Vooralsnog is mijn conclusie dat die menselijke maat niet of moeilijk effectief kan worden gemaakt voor de onderwijssector als geheel of voor deelsectoren daarbinnen. Als dat juist is dan impliceert dat voor OCW dat er qua bestuursstijl niet veel andere wegen openstaan dan het Pavlovbeleid met dwingende prikkels, en dat de onderwijshond, met respect, dus bij tijd en wijlen aan de lijn zal moeten.

1 opmerking: